Milieudefensie
dinsdag 16 maart 2010
 
U bent hier: Home > Aanpak & resultaat > Kopenhagen 2009 > Achtergronden > Clean Deve...
Klimaatblog
 
 

Clean Development Mechanism (CDM)

Clean Development Mechanism (CDM): duurzaamheid is ver te zoeken

Wat is Clean Development Mechanism?
Wat vindt Milieudefensie?
Problemen met het Clean Development Mechanism

Wat is Clean Development Mechanism?

Het Clean Development Mechanism (CDM) is één van de drie flexibele mechanismen van het Kyoto-protocol. Via het CDM kunnen industrielanden hun emissiereductiedoelstellingen behalen door projecten in ontwikkelingslanden te financieren. Het CDM heeft twee doelstellingen:

  • verlaging van de kosten voor de industrielanden bij het bereiken van hun reductiedoelstellingen;
  • ondersteuning van ontwikkelingslanden met duurzame ontwikkeling.

Nederland moet haar broeikasuitstoot met 6 procent verminderen in 2012 ten opzichte van 1990. Dit kunnen we bereiken door energiebesparing en hernieuwbare energiebronnen te gebruiken in plaats van fossiele brandstoffen.

Voor het klimaat maakt het niet uit wáár de broeikasgasuitstoot naar omlaag gaat. Daarom kan Nederland - aanvullend op acties in eigen land - via het CDM tegen lagere kosten emissiereducties in ontwikkelingslanden realiseren. De daar bereikte reductie mag Nederland aan de hand van 'emissiecredits' (Certified emission reductions of CER's) van haar eigen reductieverplichting aftrekken.

Nederland koos er in eerste instantie voor haar Kyoto-doel te gaan behalen door 50 procent van haar reductiedoelstelling via flexibele mechanismen te behalen, waarvan het overgrote deel via CDM. In 2008 heeft Nederland besloten dit aandeel terug te brengen naar 35 procent.

 

Wat vindt Milieudefensie?

Er is veel kritiek op het CDM. In de praktijk blijkt het niet of nauwelijks bij te dragen aan duurzame ontwikkeling en creëert het 'valse' CER's, die de CO2-uitstoot alleen maar doen toenemen (dit leggen we verder uit onder 'Problemen met het CDM'). Bovendien nemen de landen door het afkopen van reducties niet de noodzakelijke maatregelen in eigen land.

Milieudefensie vindt dat het gebruik van het CDM beperkt moet worden. Bovendien mogen alleen projecten in aanmerking komen die zeer sterk bijdragen aan duurzame ontwikkeling en gecertificeerd zijn door de 'Gold Standard'. Dat houdt in dat goedkope opties zoals de destructie van industriële gassen en bosprojecten uitgesloten moeten worden van het CDM. Ook moeten rijke landen, buiten het CDM om, ontwikkelingslanden financieel ondersteunen bij hun emissiereductie en rijke landen mogen deze steun niet aftrekken van hun reductieverplichting.

Problemen met het CDM


Additionaliteit
Reducties op de lange termijn
Bijdrage duurzame ontwikkeling
Waterdammen
Vernietiging industriële gassen
Regionale spreiding
Geen onfhankelijke keuring van projecten
Verbreding van het CDM

Additionaliteit
Voorwaarde voor CDM-projecten is wel dat de emissiereductie additioneel is. Dat wil zeggen dat het project zonder het CDM niet had kunnen plaatsvinden en er dus emissiereductie plaatsvindt die anders niet mogelijk was geweest. In dat geval is de uitstoot in Nederland hoger dan de reductiedoelstelling, maar in een ontwikkelingsland gaat de CO2 evenveel omlaag. Het klimaat wordt er niet beter of slechter van.

Als een project niet additioneel is, en Nederland daar wel emissiecredits voor ontvangt en gebruikt, blijft de CO2-uitstoot in het ontwikkelingsland gelijk, maar neemt de werkelijke CO2-uitstoot in Nederland toe. Een verslechtering van het klimaat dus. Probleem is dat additionaliteit erg moeilijk te bewijzen is. Volgens schattingen uit onderzoeken zou 20 tot 60 procent van de CDM-projecten niet additioneel zijn en zouden die projecten ook zonder het CDM hebben plaatsgevonden. Er zijn op dit moment zo'n 1600 projecten geregistreerd. Zelfs al is de laagste schatting correct, dan nog is het CDM een volledige mislukking in de strijd tegen klimaatverandering.

Reducties op de lange termijn
De enorme hoeveelheid CDM-credits zorgt ervoor dat de industrielanden minder acties in eigen land hoeven te ondernemen, terwijl die uiteindelijk wel nodig zijn. Om klimaatverandering tegen te gaan, zal in 2050 de uitstoot met maar liefst 90 procent naar omlaag moeten. Door het afkopen van hun reductieverplichting kunnen industrielanden nu nog steeds kolencentrales bijbouwen die zeker 40 jaar meegaan. Zijn die eenmaal gebouwd, dan is het onmogelijk om op de lange termijn de enorme noodzakelijke reductie te bereiken, omdat we vastzitten aan vervuilende technologie en infrastructuur.

Nu hebben ontwikkelingslanden nog geen reductieverplichtingen. In de toekomst zal dit - afhankelijk van hun mogelijkheden en historische verantwoordelijkheid - wel het geval zijn. Als de rijke landen door een ongelimiteerd CDM alle goedkope reductiemogelijkheden opkopen, blijven alleen de duurdere opties voor de ontwikkelingslanden over, een zeer onrechtvaardige situatie.

Bijdrage duurzame ontwikkeling
Het land waarin een CDM-project plaatsvindt, moet het project goedkeuren en van mening zijn dat het bijdraagt aan duurzame ontwikkeling. Helaas is nergens in het Kyoto-protocol omschreven wat duurzame ontwikkeling is en wordt dit begrip door landen heel verschillend ingevuld.

Bijdragen aan duurzame ontwikkeling kunnen zijn: bestrijden van armoede, creëren van werkgelegenheid, toegang bieden tot energie, luchtkwaliteit verbeteren en duurzame technologieoverdracht. Uit veel casestudies blijkt echter dat de bijdrage aan duurzame ontwikkeling erg beperkt is, minder dan voorzien, of zelfs helemaal ontbreekt. Voor het gastland is het zelfs strategisch ongunstig om strengere duurzaamheidseisen te stellen aan projecten, omdat het daarmee investeerders afschrikt die zoeken naar de goedkoopste opties om emissiecredits te verdienen.

Waterdammen
Een veelvoorkomend CDM-project is het aanleggen van waterdammen. Dit heeft al meerdere malen zelfs negatieve gevolgen voor mens en milieu opgeleverd: gedwongen verhuizingen, achteruitgang van de visstand of gebrek aan water voor irrigatie.

Vernietiging industriële gassen
Projecten die de meeste emissiecredits en opleveren, zoals het vernietigen van het gas HFC-23 (een sterk broeikasgas wat ontstaat bij de productie van koelvloeistof) of het afvangen van lachgas zijn end-of-pipetechnieken (technieken die gebruikt worden om gevormde verontreinigingen te reduceren), die worden toegepast op bestaande fabrieken. Er wordt geen extra werkgelegenheid gecreëerd, mensen krijgen geen toegang tot duurzame energie, de techniek is al voorhanden en de vernietiging draagt in zijn geheel niet bij aan duurzame ontwikkeling.

Regionale spreiding
Slechts 2 procent van alle CDM-projecten vindt plaats in Afrika. Opkomende economieën zoals China, Brazilië en India profiteren het meest van het CDM. Omdat er veel vraag is naar emissiecredits, verkiezen projectontwikkelaars projecten die veel credits genereren boven kleinschalige projecten. In Afrika is de uitstoot van broeikasgassen laag, dus is er ook weinig te reduceren. De minst ontwikkelde landen profiteren zo het minst van het CDM terwijl zij duurzame ontwikkeling het hardst nodig hebben.

Geen onafhankelijke keuring van projecten
De goedkeuring van projecten ligt bij Designated Operational Entities (DOE's). Dit zijn bedrijven die het projectplan controleren op additionaliteit, volledigheid, naleving van de UNFCCC-regels, omvang van gegenereerde emissiecredits enzovoort. Zij doen dat op verzoek van de projectontwikkelaar, die hen daarvoor inhuurt. Als de DOE het project gevalideerd heeft, is als laatste stap nog goedkeuring van het bestuur van het CDM vereist.

Uit enkele casestudies blijkt dat de DOE's hun werk helemaal niet goed doen. Er is veel concurrentie tussen deze bedrijven. Hierdoor zakken de prijzen en tegelijkertijd ook de kwaliteit van de controle, wat terug te zien is in de rapporten. DOE's genereren inkomsten uit de controle van CDM-projecten, het is dus ook in hun belang om projecten goed te keuren en nieuwe opdrachten binnen te halen. Het CDM-bestuur heeft de afgelopen tijd steeds meer projecten afgewezen waarvoor de DOE's wel al groen licht hadden gegeven.

Ook op het CDM-bestuur zelf is veel kritiek omdat bestuursleden nevenfuncties bekleden bij bedrijven of overheden die met CDM-projecten te maken hebben. Dit maakt het ongeloofwaardig dat deze bestuursleden onpartijdig projecten zullen beoordelen.

Verbreding van het CDM
Veel partijen willen het CDM in een nieuw klimaatverdrag verbreden door bosbeschermingsprojecten, CO2-afvang en -opslag en kernenergie toe te staan.

Milieudefensie is hier tegen. Geld om ontbsossing te stoppen is heel hard nodig, maar niet via het CDM. De koolstofmarkten raken op deze manier overspoeld met goedkope credits uit bosprojecten en de duurdere duurzame kleinschalige CDM-projecten komen zo in de knel. Hierdoor zijn industrielanden minder geneigd om in eigen land de uitstoot te verminderen.

Milieudefensie is erg kritisch over de afvang en opslag van CO2, het zogenaamde Carbon Capture and Storage of CCS. Het is een nog onbewezen techniek waar veel bezwaren aan kleven en bovendien is het hooguit een tijdelijke oplossing. Het geld kan beter gestoken worden in energiebesparing en hernieuwbare energie. CCS-projecten zullen, net als vernietiging van industriële gassen zoals HFC en N2O, niet bijdragen aan duurzame ontwikkeling.

Kernenergie is geen oplossing voor het klimaatprobleem of het opraken van de olie, want het zadelt de volgende generaties op met gevaarlijk radioactief afval. Niets aan kernenergie is duurzaam en het hoort daarom ook niet thuis in het CDM.

Terug naar overzicht achtergronden

Document acties
  • Delen |
 
steun Milieudefensie Vrijwilliger Milieudefensie